Pedagogisch profiel

De printversie vindt u hier:

Visie op gezinsbegeleiding VZW RADAR 2017.docx

1 Doelgroep van de modules CB

Bij onze doelgroep is het begeleidingswerk onvoorspelbaar en de intensiteit van de begeleiding sterk wisselend: de ene week is de begeleiding heel intensief, de volgende week staan we aan de deur.

We kiezen er dan ook voor om bij de start van de begeleiding nog geen keuze te maken in de module die we zullen hanteren binnen een gezin. Tijdens de eerste weken willen we, rekening houdende met de informatie van de verwijzer, de informatie van het gezin, en onze eigen observaties een inschatting maken over de module die het meeste aansluit bij de hulpvraag van het gezin.

1.1 Modules laagintensief en breedsporig

Onze dienst biedt verschillende hulpverleningsmodules aan, namelijk de modules laag intensieve en breedsporige contextbegeleiding. Beide modules zijn rechtstreeks toegankelijk. Dit wil zeggen dat andere hulpverleners, en consulenten rechtstreeks bij ons kunnen aanmelden. Gezinnen kunnen niet rechtstreeks bij ons aanmelden, wel kunnen ze bij ons terecht via verwijzing van de brede instap (OCMW, CGG, CAW…).

Bij de module laagintensief gaat het gemiddeld om 1u begeleiding per week en richten we ons vooral op kinderen van 0-18 jaar met meervoudige opvoedingsproblemen. Deze gezinnen ervaren moeilijkheden op het vlak van opvoeding en gedrag van de kinderen en problemen in de communicatie tussen de verschillende gezinsleden.

Er zijn geen problemen op andere levensdomeinen dan opvoeding of toch niet in die mate dat werken rond opvoeding verhinderd is. Onze inschatting is dat de doelen waaraan de gezinsleden willen werken binnen een vrij korte periode kunnen gerealiseerd worden.

Bij de module breedsporige contextbegeleiding gaat het gemiddeld om 2u begeleiding per week.

Onze begeleiding richt zich op gezinnen met kinderen (van 0 tot 18 jaar) waarbij er sprake is van een problematische opvoedingssituatie (POS) of waarbij een jongere een als misdaad omschreven feit pleegde (MOF) . De opvoedingsproblemen kunnen op zich staan, maar veelal zijn ze verweven met moeilijkheden op andere domeinen, zoals financiële en/of huisvestingsproblemen, problemen in de partnerrelatie, problemen in de interacties tussen gezin en omgeving. Niet zelden kampen deze gezinnen reeds een lange tijd ‐over meerdere generaties heen‐ met diverse en complexe problemen.

1.2 Aangewezen criteria voor opstart

Wanneer sprake is van volgende aanwijzingen, kunnen we de CB‐begeleiding opstarten:

  • Er zijn bezorgdheden op vlak van opvoeding en ontwikkeling van de kinderen.
  • Er is voldoende veiligheid in het gezin of de gezinsleden zijn bereid te werken aan het

herstellen van de veiligheid. Als iemand (ouders, begeleiders, consulent of andere

betrokkenen) zich zorgen maakt over de fysieke, seksuele of emotionele veiligheid in het

gezin, wordt het vergroten van de veiligheid het eerste doel in de begeleiding.

  • De gezinsleden willen starten met een begeleiding en evolueren naar een engagement om

te werken aan hun opvoedingsdoelen.

  • De gezinsleden hebben een tijdelijk verminderde draagkracht door de problemen. Er zijn

voldoende mogelijkheden aanwezig om de opvoedingsproblemen aan te pakken. Vragen op

andere domeinen kunnen aan bod komen maar zijn niet de focus van de begeleiding. Het

evenwicht tussen draagkracht en draaglast is ernstig verstoord omwille van problemen of

beperkingen op andere levensdomeinen dan opvoeding

  • De kinderen volgen Nederlandstalig onderwijs. Franstalige en Engelstalige begeleidingen zijn mogelijk.

1.3 Tegen-aanwijzingen voor opstart

Sommige hulpvragen en gezinsomstandigheden vragen om een andere vorm van hulp. Daarom zijn

er tegen-aanwijzingen voor de doelgroep en de hulpvraag:

  • De gezinsleden tonen geen enkel engagement om na de intake een begeleidingstraject bij onze dienst te starten.
  • De veiligheid en/of de basisbehoeften van de kinderen zijn in gevaar én er is geen bereidheid om te werken aan het herstellen van de veiligheid.
  • Het aanbod van contextbegeleiding is ontoereikend en het gezin heeft meer baat bij intensievere hulpverlening.
  • Indien andere problemen van het gezin te dominant aanwezig zijn waardoor de gezinsleden zich niet kunnen engageren om rond de opvoedingsvragen te werken, dan gaan we op zoek naar gepaste partners (OCMW, schuldbemiddeling, CGG, CAW, begeleid wonen…).
  • De situatie wordt als onveilig ingeschat voor de begeleider.

1.4 Grenzen aan de werkvorm CB

Wanneer we in de loop van de contextbegeleiding botsen op de grenzen van de begeleiding stellen we de zinvolheid en haalbaarheid van de begeleiding in vraag. We doen dit in open communicatie met het gezin en eventueel andere betrokken hulpverleners / verwijzers.

Een aantal van deze grenzen werden opgesomd bij de contra‐indicaties van contextbegeleiding. Bij de start van een begeleiding hebben we niet altijd duidelijk zicht op deze factoren en op de evolutie die hierin mogelijk is in het gezin. Het kan zijn dat deze grenzen pas duidelijk worden in de loop van de begeleiding.

  • De noden van de gezinsleden (bijvoorbeeld van de kinderen) kunnen zo groot zijn dat het gezin met de ondersteuning van contextbegeleiding onvoldoende kan tegemoet komen aan deze noden.
  • Er is bij de ouders (ondanks aanklampend werken vanuit onze begeleiding) geen enkel engagement op te bouwen om het gesprek over de opvoeding aan te gaan of om aan de slag te gaan met het netwerk.
  • De veiligheid van de begeleider is in gevaar.
  • De veiligheid en/of de basisbehoeften van (één van) de kinderen is in gevaar én het lukt niet om hierin een positieve evolutie op gang te brengen door ambulante ondersteuning.

Wanneer we op één van deze grenzen botsen, bekijken we samen met het gezin (en eventueel andere betrokken hulpverleners) of de begeleiding wordt verder gezet.

Zeker bij signalen of dreiging van onveiligheid voor de kinderen en/of als niet tegemoetgekomen wordt aan (één van) de basisbehoeften van de kinderen, gaan wij het gesprek met de ouders hierover aan. Niet altijd worden deze problemen onderkend door de ouders zelf. Daarom is het belangrijk dat we als begeleider vanaf het begin van een begeleiding open en eerlijk zijn over het niet vrijblijvend zijn van een contextbegeleiding in gevallen van onveiligheid. De veiligheid van kinderen heeft de hoogste prioriteit, in elke situatie. We streven ernaar om samen met het gezin (en de verwijzer als deze betrokken is) te bekijken hoe de gezinsleden hiermee willen omgaan en welke stappen gezet dienen te worden.

Indien de gezinsleden hier niet aan willen werken of de verwachtte verandering niet plaatsvindt door inspanningen van de gezinsleden, is dit een grens voor CB. Als we inschatten dat de ontwikkeling van de kinderen in het gevaar blijft én er is geen enkele medewerking van het gezin om hieraan te werken, dienen we een M‐document in. Dit gebeurt enkel na uitdrukkelijk en transparant overleg met de gezinsleden, andere hulpverleners en het eigen team.

2 Doelstelling van de module contextbegeleiding

We willen primaire veiligheid bieden in de contacten tussen ouder en kind.

We trachten om zicht te krijgen op de communicatiepatronen binnen het gezin en de probleemdomeinen. We willen de positie en opvoedende vermogens (oplossingsgericht) van de ouders verstevigen en van de relatie ouder(s)-kind versterken.

We oriënteren naar rechtstreeks toegankelijke hulpverlening (CGGZ, therapie, psychiatrie, opvoedingsondersteuning, ed.) en vorming indien nodig.

We activeren het, of bouwen aan het eigen steunnetwerk van het gezin met als doelstelling het opheffen van de nood aan gespecialiseerde niet-rechtstreeks toegankelijke hulpverlening.

3 Theoretische achtergrond en wetenschappelijke onderbouwing van de module contextbegeleiding.

3.1 IPT-model (Intensieve Pedagogische Thuishulp)

IPT is een model, geen methodiek. Dit wil zeggen dat we niet werken vanuit een vaste fasering, waarbij de werking vooraf bepaald is op dagelijkse, wekelijkse of maandelijkse basis. Ons model vertrekt vanuit de doelstellingen van het gezin (individueel per gezinslid), de verwijzer en onze eigen observaties. Op basis van deze doelstellingen wordt een hulpverleningstraject uitgezet onderverdeeld in verschillende cyclussen. Elke cyclus heeft een tijdsduur, intensiteit en inhoudelijke invulling op maat van de hulpvraag (en in samenspraak met de cliënt bepaald).

We zien dit als een eclectisch werkmodel voor mensen die intensief werken met de context (gemiddeld ongeveer 1 keer per week).

Bedoeling is om hulp zo dicht mogelijk bij de cliënt te houden (d.m.v. huisbezoeken) op een vraaggestuurde manier. Het gezin heeft zoveel mogelijk de regie over de inhoud van de hulpverlening. De geboden hulp moet zo licht als mogelijk en zo kortdurend mogelijk zijn. In dat licht krijgen leertheoretische interventies dan ook een grote plaats in de methodische werkvormen. Er wordt voor een zo groot mogelijk deel geput uit interventies van bewezen effectieve methodische werkvormen.

Het model is niet alleen vraaggestuurd maar ook doelgericht. We werken met vooraf bepaalde concrete doelen, en het meten van het behaalde resultaat op deze doelen vormen een essentieel onderdeel van onze werkvorm. Het is de bedoeling dat we alle hulp, die noodzakelijk, maar niet in ons team aanwezig is, inzetten (bvb: therapeutische of psychiatrische hulp, hulp vanuit een CGG, CAW, OCMW, etc. of langdurig m.b.t. zaken die gecompenseerd dienen te worden om de jongere in het gezin te houden)

Naast vraaggestuurd en doelgericht is onze begeleiding ook competentiegericht. Dat betekent dat de begeleiding gericht is op het herstel van de balans tussen de taken waar het gezin voor staat en de vaardigheden die de verschillende gezinsleden hebben om die taken daadwerkelijk uit te voeren. De eerste insteek zal altijd zijn de competenties van het cliëntsysteem uit te breiden om de gestelde doelen te behalen. De begeleiders in ons team zijn generalisten, maar hebben ook hun eigen specialisaties. Zo kunnen er teamleden zijn die een therapie opleiding hebben gevolgd, terwijl anderen veel kennis hebben van crisisinterventies, opvoedingsproblemen, of bijv. ADHD. Op die manier hebben we reeds heel wat expertise in ons team waardoor we in staat zijn om als geheel complexe hulpvragen op te lossen.

3.2 Theoretische basis

IPT maakt gebruik van verschillende evidence-based methodieken als Families First, Intensieve Orthopedagogische Gezinsbehandeling, Geweldloos Verzet, en Langdurig Laagfrequente Orthopedagogische Thuisbegeleiding. We kiezen niet voor één specifieke methode binnen de begeleiding maar voor verschillende werkzame factoren op maat van de hulpvraag. Belangrijk is dat we onze interventies bewust inzetten en kunnen benoemen waarom we welke keuze maken.

Daarnaast baseren we ons o.a. op:

  • De leertheorie: Binnen deze zienswijze zijn begrippen als modeling, belonen en positief bekrachtigen essentiële elementen in het opvoeden van kinderen. We gebruiken deze invalhoek vooral om een bepaald gedrag aan te leren.
  • Systeemdenken: We zien het gedrag van de verschillende leden van een systeem niet als een simpele keten van oorzaak-gevolg-relaties maar als het samenspel van met elkaar inter-agerende deelsystemen, waarbij terugkoppeling een belangrijke rol speelt. Dit wil zeggen dat we niet alleen naar de afzonderlijke deelsystemen kijken, maar vooral ook naar de manier waarop zij wisselwerking vertonen en naar hun plaats in het geheel. Concreet gaan we aan de slag met technieken vanuit sociale netwerkstrategieën.
  • De cognitief-gedragsmatige benadering en de oplossingsgerichte visie: Vanuit de eerste benadering gaan we aan de slag met de link tussen ‘doen’ en ‘denken’. Aan de hand van verschillende methodieken kunnen we met de gezinsleden bekijken waarom ze bepaald gedrag stellen en hoe ze dit kunnen aanpassen. Binnen de oplossingsgerichte benadering bekijken we de zaken vooral door een empowerende bril. De focus ligt op de oplossing en niet op het probleem.
  • De contextuele invalshoek: heeft eveneens een essentiële plaats binnen onze dienst. Daarom trachten we steeds om de relaties en dynamieken binnen een gezin in kaart te brengen.
  • De narratieve benadering: Binnen deze benadering gaat het er om de ander zijn (levens)verhaal te laten vertellen en te helpen (re)construeren tot een betekenisvol verhaal.

3.3 In de praktijk

  • Krachtgericht werken: We vertrekken vanuit het empowermentparadigma. We baseren ons op de krachten van de gezinnen om te werken aan doelstellingen.
  • Doelgericht werken: Het stellen van doelen (met elk gezinslid) en deze doelen evalueren komt in elke begeleidingsperiode terug. Na 6 maand wordt het evolutieverslag gemaakt en maken gezin en begeleider samen een bijsturing van het handelingsplan.
  • Vraaggestuurd werken: Er wordt vertrokken vanuit de hulpvragen van cliënt en verwijzer.
  • Hulpverleners putten vanuit verschillende methodes en benaderingen om op maat aan de slag te gaan m.b.t. voorliggende hulpvragen.
  • De verantwoordelijkheid van de sturing op de inhoud ligt bij het gezin. De verantwoordelijkheid m.b.t; de sturing op het proces ligt bij de hulpverlener.

4 Basishouding van de begeleiders

4.1 Presentie en voortdurende afstemming als kern van de basishouding

Veel van de gezinnen die we begeleiden, leven in zeer moeilijke, complexe situaties. Dikwijls hebben ze al een verleden van heel wat relationele breuken achter de rug. Het is niet evident om vaak als zoveelste hulpverlener over de vloer te komen. We willen dan ook een positieve samenwerkingsrelatie met het gezin opbouwen omdat deze onontbeerlijk is om ruimte te kunnen maken voor positieve verandering. Goed ontwikkelde methodieken en technieken vinden we zeer waardevol, zolang ze worden toegepast vanuit een basishouding die aansluit bij de gezinnen. De kern van deze basishouding is presentie en voortdurende afstemming.

4.1.1 Presentie

Presentie betekent voor ons een aandachtige aanwezigheid. Naast en bij de ander zijn (zeker op moeilijke momenten), lijkt vanzelfsprekend, alleen zien we vaak dat hulpverleners omwille van een volle agenda, noodzakelijke administratie… onvoldoende tijd nemen om gewoon stil te staan bij de moeilijke situatie waarin sommige van onze gezinnen zich bevinden en gewoon nabij te zijn. Vaak schieten ze door naar een formuleren van doelstellingen, of het zoeken naar oplossingen. Vanuit onze dienst willen we niet meteen overgaan naar het zoeken van oplossingen of het zoeken naar gepaste methodieken en tools, maar net de ruimte nemen om naast onze gezinnen te gaan staan om op die manier een duidelijker beeld te creëren van hun concrete hulpvraag.

4.1.2 Voortdurende afstemming

Wanneer we vanuit presentie (aanwezigheid) overgaan tot specifieke interventies binnen onze gezinnen, vinden we het belangrijk om voortdurend af te stemmen op de cliënt. Vergelijk het met het voortdurend draaien aan een radiozender tot je bent afgestemd op de juiste post. Een aantal kernelementen spelen hierbij een belangrijke rol:

  • Taal: We proberen om ons taalgebruik zoveel mogelijk af te stemmen op de gezinnen. Wanneer we hierin slagen zien we dat het net gemakkelijker is om te ‘tunen’ met het gezin.
  • Non-verbale communicatie: Vaak tonen cliënten gedurende een begeleidingsgesprek zeer veel non-verbaal: ze zuchten, kijken weg, geeuwen, trekken gezichten… Wanneer we als hulpverlener hiervoor aandachtig zijn hebben we het doorgaan gemakkelijker om af te stemmen op de leefwereld en noden van onze gezinnen.
  • De losse babbel: In de hectiek van de begeleiding wordt soms erg snel ter zake gekomen. Toch kan spreken over dagdagelijkse dingen er soms voor zorgen dat mensen minder op hun hoede zijn, en maakt het ons soms gemakkelijker om verbinding te maken met een gezin.
  • Praktische hulp: Eenvoudige praktische hulp zoals het regelen van administratie, hulp in contact met andere diensten (bvb: OCMW, huisvestingsmaatschappij…) toont onze betrokkenheid en speelt vaak een grote rol in het opbouwen van een samenwerkingsrelatie.

4.2 Andere aspecten van de basishouding

Presentie en voortdurend afstemmen vormen de krijtlijnen van onze basishouding als begeleider. Tegelijkertijd kunnen we deze krijtlijnen verder verrijken en inkleuren. Andere aspecten van de basishouding zijn:

  • Vraaggericht werken: De gezinsleden worden een sterke positie en een centrale rol toegekend. De gezinsleden behouden de regie over hun leven en over hun hulpproces. Daardoor vergroot de kans op succesvolle en effectieve hulpverlening. De hulpvraag van de gezinsleden staat centraal.
  • Verantwoordelijkheid bij het gezin: We zijn van mening dat de gezinsleden een centrale rol dienen te hebben in het bepalen van de doelen die betrekking hebben op de opvoeding. De gezinsleden houden de regie. Ze werken zélf aan de situatie die ze wensen: zij bepalen aan welke doelen wordt gewerkt en zij zijn de bron van de oplossingen. Er is een open dialoog en een gedeelde verantwoordelijkheid over het hulpproces. Als begeleider stellen we onze kennis, ervaring en inzichten ten dienste van de zoektocht van de gezinsleden.
  • Gezinsgericht werken: Er is een loyaliteitsband tussen ouders en kinderen. We bekijken de gezinnen vanuit de systeembenadering. Het probleem van één gezinslid kunnen we niet los zien van het gehele gezinssysteem. We hebben aandacht voor het hele gezin. De hulp sluit aan bij de leefwereld van de gezinsleden. De hulp vindt plaats in de leefomgeving van het gezin. We benaderen de gezinsleden op een systeemgerichte manier. Als begeleider hebben we een houding van meervoudige betrokkenheid. De hulp is gericht op het benadrukken en verbeteren van positieve, door de gezinsleden gewenste vormen van interactie.
  • Aanklampend werken: Onze visie betekent ook ‘vasthoudendheid’ we willen het gezin niet zomaar los laten. We blijven de gezinnen stimuleren en impulsen geven zeker wanneer ze vaak afbellen, niet thuis zijn, telefonisch onbereikbaar zijn, geen hulpvragen meer stellen of wanneer we bezorgd zijn. Aanklampend zijn betekent daarnaast ook moeilijke onderwerpen niet zomaar loslaten, maar telkens opnieuw het welzijn en de veiligheid van de kinderen ter sprake brengen.
  • Transparant zijn: We zien transparantie als één van de belangrijkste aspecten van onze basishouding en noodzakelijk om tot een goede samenwerkingsrelatie te komen. De stelregel die we hierbij hanteren is: “we doen wat we zeggen, en zeggen wat we doen”. Op deze manier scheppen we duidelijkheid rond het doel van de begeleiding, de inhoud van onze gesprekken, het gevraagde engagement van het gezin, onze communicatie met verwijzers en andere hulpverleners, de gevolgen van al dan niet meewerken met de begeleiding… Transparantie creëert duidelijkheid en vertrouwen binnen de begeleiding: er zijn geen verborgen agenda’s, alles wordt uitgelegd en besproken.
  • Echtheid in de relatie: We zijn van mening dat bij transparantie ook het aspect ‘echtheid’ hoort. Een valkuil is soms dat hulpverleners te professioneel willen zijn. Ze denken soms dat ze hun emoties, gedachten, gevoeligheden… niet mogen tonen. Vanuit onze dienst zijn we echter van mening dat dit een goede samenwerkingsrelatie in de weg staat. Onszelf tonen als persoon creëert ruimte voor de gezinsleden om hetzelfde te doen. Echtheid betekent ook dat we tonen wanneer een onderwerp ons raakt. Dit is voor de gezinnen vaak een belangrijk teken van onze betrokkenheid in plaats van een teken van zwakte of onprofessionaliteit.
  • Oplossingsgericht werken: De focus van onze begeleiding ligt op oplossingen en niet op problemen van de gezinsleden. Ons doel is dat de gezinsleden zelf oplossingsgericht gaan denken. Dan kunnen de gezinsleden anticiperen op de schommelingen in het leven door gebruik te maken van hun eigen krachten en de krachten van hun omgeving.
  • Crisissen als kansen zien: Als contextbegeleider worden we vaak door een crisis overvallen. We zien een crisis echter ook als kans. Tijdens een crisis is de noodzaak voor verandering bij een gezin immers heel groot. De grootste veranderingen kunnen we dan ook vaak realiseren tijdens een dergelijk crisismoment. We proberen dan ook in de buurt te zijn bij deze veranderingsmomenten. Hierdoor creëren we een zekere rust en vasthoudendheid in wat vaak heel moeilijke momenten zijn.

5 Empowerment en netwerkgericht werken

Een misvatting binnen hulpverlening is dat er gestreefd moet worden naar maximale autonomie en zelfredzaamheid van het gezin. Men interpreteert dit soms als een voortdurend aansporen van gezinnen om zaken in handen te nemen en concludeert dat men als hulpverlener niet teveel zaken zelf mag doen. Telefoons doen voor gezinnen, helpen met administratie is uit den bose. Vanuit onze dienst willen we het woord zelfredzaamheid vervangen door samenredzaamheid. De gezinsleden moeten bovenal leren om te steunen op elkaar, steunbronnen in hun omgeving én hulpverleners zodat ze met behulp van hun netwerk opnieuw controle kunnen krijgen over hun situatie. Als begeleider bouwen we aan vertrouwen en leggen we verbindingen. Dit betekent in sommige van onze gezinnen helpen bij praktische zaken, de administratie, contacten met derden… Zodat er bij onze gezinnen zich dan soms een kier opent om verbinding te kunnen leggen met andere steunbronnen en zo onszelf overbodig te maken.

Om dit te bewerkstelligen willen we:

  • Het persoonlijk en professioneel netwerk (natuurlijke steunbronnen) in kaart brengen: Waaruit bestaat de omgeving van de verschillende gezinsleden, met welke ander diensten kunnen we samenwerken?
  • Het persoonlijk en professioneel netwerk uitbreiden:

Hoe kunnen we het netwerk van steunbronnen uitbreiden? Hoe kunnen we waardevolle / betrouwbare relaties herstellen?

  • Het persoonlijk en professioneel netwerk activeren:

Hoe kunnen we steunbronnen van het gezin mobiliseren en actief inzetten binnen onze begeleiding?

De laatste jaren zien we dat onze begeleiding steeds meer verbonden raakt met het model van wrap around care vanuit de VS. Dit is een model waarbij een team van steunbronnen en specialisten zich als het ware om het gezin heen wikkelen. Zeker bij de multi-problem gezinnen zien we dit als een model dat werkt. We zien onszelf als generalisten, hoewel we natuurlijk onze eigen achtergrond, opleiding en expertise hebben staan we uitdrukkelijk naast de gezinnen. Van daaruit willen we het sociaal netwerk van de gezinnen activeren en waar nodig specialisten inschakelen (therapeuten, psychiaters, OCMW, VK, VAPH, schuldbemiddelaar…).

6 Omgaan met onveiligheid

Bij de start van de begeleiding of gedurende het traject zijn er soms aanwijzingen dat de veilheid van de kinderen of andere gezinsleden in het gedrang is. We vinden het belangrijk om de signalen (= wat we vermoeden) en de feiten (= wat we weten) op een correcte wijze bespreekbaar te maken en vervolgens een constructief partnerschap op te bouwen met het gezin. Als hulpmiddelen gebruiken we hiervoor onze eigen procedure SGOG en het model van Signs of Safety. (Zie bijlage SGOG)

Signalen en feiten zijn niet hetzelfde. We kunnen aanwijzingen hebben voor onveiligheid, maar de realiteit kan anders zijn. Net daarom vinden we het belangrijk om deze signalen op een open en directe manier te bespreken met het gezin en om samen met hen de actuele veiligheidssituatie te onderzoeken. Hierbij zien we het als een uitdaging om tegelijkertijd de ernst van de situatie te bespreken en tegelijkertijd onze kansen op samenwerking te maximaliseren.

7 Begeleidingsverloop van de module contextbegeleiding

7.1 Een gestructureerde opbouw

Om een onze weg te vinden binnen de complexe en weerbarstige situaties waarin vele van onze gezinnen zich bevinden willen we een gestructureerd en gefaseerd model gebruiken. Binnen deze structuur willen we echter zeer flexibel en vraaggestuurd aan de slag kunnen gaan met de gezinnen.

Ons begeleidingstraject is opgedeeld in drie fases. De totale duur ervan is per gezin verschillend en afhankelijk van de hulpvraag, de situatie en de doelen.

7.1.1 De instroomfase

De eerste fase duurt maximaal zes weken. Het doel van deze fase is drieledig. In de eerste plaats is er een grondige kennismaking en willen we inzetten op presentie en afstemming. Dit betekent dat we de tijd nemen om te luisteren naar de verhalen van de gezinsleden. Daarnaast stellen we onze dienst voor en lichten we onze manier van werken toe.

Tot slot stellen we samen met de gezinsleden een handelingsplan op dat de verwachtingen van de betrokken actoren (ook verwijzers) samenbrengt, en dat iedereen kan onderschrijven.

7.1.2 De Begeleidingsfase

De tweede fase is de begeleidingsfase: deze duurt ongeveer vijf maanden. In deze periode werken we samen met het gezin en een netwerk van steunbronnen aan de uitwerking van het handelingsplan. De frequentie van de huisbezoeken per week kan in deze fase verschillen volgens de nood van de gezinsleden. Zo zullen we bij crisissen meer aanwezig zijn in het gezin, of kunnen we na overleg beslissen om een jongerenbegeleider in te schakelen specifiek om te werken met de kinderen, naast de ‘gewone’ gezinsbegeleiding.

Centraal staat het werken aan de doelstellingen die we hebben geformuleerd in het handelingsplan. Tegelijkertijd is er een voortdurend afstemmen op de realiteit van het gezin: is de situatie veranderd? Zitten we nog op het juiste spoor? Is de vraag van het gezin nog steeds dezelfde of gewijzigd? Wat met het perspectief van de verwijzer? Om te kiezen aan welke doelstellingen eerst worden gewerkt, checken we steeds of er een concrete opdracht is van de jeugdrechter die voorrang moet krijgen, en of de veiligheid van de kinderen in het gedrag is. Wanneer dit zo is, dan geven we dit prioriteit in onze begeleiding. Wanneer dit niet zo is dan wordt samen met het gezin gezocht naar doelstellingen die het gemakkelijkst bereikbaar zijn en op korte termijn effect opleveren of de doelstellingen die in de beleving van het gezin het meest urgent zijn.

7.1.3 De evaluatiefase

De derde fase is de evaluatiefase. Centraal in deze fase staat de bespreking van het evolutieverslag met het gezin waarbij het gezin, de contextbegeleider, de verwijzer en eventuele steunbronnen van het gezin terugkijken op de voorbije begeleidingsperiode en waarbij we samen met het gezin inschatten of de begeleiding dient te worden verlengd of dat we eventueel kunnen afronden. Ook eventuele doorverwijzingen naar andere soms meer gespecialiseerde en intensievere hulpverleningsvormen behoort dan tot de mogelijkheden.

De drie fases worden inhoudelijk ingevuld vanuit een voortdurende dialoog met het gezin en eventueel de verwijzer. Onze positie, houding en acties als contextbegeleider worden voortdurend geleid vanuit ons pedagogisch kader. Geen enkele methodiek en techniek wordt zomaar ingezet maar zijn steeds ingebed volgens de principes van ons profiel en vertrekt steeds vanuit onze basishouding als begeleider.